Op zaterdag treffen we voorbereidingen voor ons vertrek naar Nederland. Dat is zondag. We rijden in twee dagen en overnachten ergens halverwege. Met een volle tank halen we België misschien nét. We besluiten morgenvroeg de benzinetank te vullen zodra we zijn vertrokken. Daar rijden we nu niet voor, heen en weer. Achteraf blijkt dat toch niet zo’n goed besluit.
José ruimt de binnenkant van de caravan op en zet de spullen die mee moeten alvast in de auto. Ik geef de caravan aan de buitenkant nog een wasbeurt, het dak ziet er namelijk niet uit na 4 maanden buiten te zijn geweest én ik schrijf in een nieuwe blog mijn bevindingen op van onze twee bezichtigingen, van de dag ervoor. Het uploaden mislukt als blijkt dat de internet bundels van zowel mijn als José’s mobieltje op zijn. Geen internet meer dus.
’s Nachts word ik wakker. ‘Als we geen internet hebben, hoe moeten we dan een hotel zoeken morgen?’ Dat doet José’s normaliter via Booking.com, zo is de ervaring, zodra we onderweg besloten hebben ergens te overnachten. Maar dat gaat morgen dus niet, daar heb je internet voor nodig. Een fractie later valt het ‘overnachtingsprobleem’ in het niet, voor de twijfel of we überhaupt aan zullen komen in Nederland nu er een benzinecrisis is in Frankrijk. ‘Waarom hebben we vandaag de tank niet volgegooid?’, ‘Waarom gokken op morgen?’, ‘Stel dat er dan geen benzine meer is, dan is het morgenvroeg te laat om nog iets anders te regelen’, denk ik bij mezelf. De twijfel slaat om in paniek. Ik krijg het warm en het zweet breekt me uit. Mijn hart gaat te keer als een bezetene. Ik kijk hoe laat het is, drie uur in de nacht. Ik voel me ineens niet goed worden. Mijn maag draait om. Ik moet naar het toilet, zo erg is het. Ik sluip naar buiten om in de Gite even naar het toilet te gaan. Ik ‘durf’ Jose ook niet wakker te maken, die gaat zeggen: ‘Ga slapen, je kunt er nu toch niets meer aan veranderen, dat zien we morgenvroeg dan wel’, denk ik dan. Dus ik zit alleen met mijn paniek. ‘Wat nu als we inderdaad vast komen te staan?’, ‘Ik moet me dinsdag melden voor een operatie in het ziekenhuis van Zevenaar, dat is 1000 km verderop’. ‘Hoe stom kun je zijn om niet vandaag te tanken, je weet toch dat hier in Frankrijk de benzine op is overal.’, denk ik opnieuw. Maar dat weet ik eigenlijk niet eens. We hebben het nieuws de afgelopen dagen niet meer gevolgd. Ook daar heb je internet voor nodig en dat hebben we niet.
Hóe weet ik niet meer maar ik val toch weer in slaap. De wekker is gezet op half acht en gaat af. Ik ben al half wakker en besluit mijn paniek van afgelopen nacht direct te delen met José. ‘Hou op’, zegt ze, ‘voordat ik zo meteen ook nog in paniek raak’. En zo geschiede – het eerste. ‘Kom laten we opschieten dan, dan gaan we snel op pad in Bergerac op zoek naar een tankstation’, zegt José. Het duurt ons drie kwartier om één en ander gereed te maken voor vertrek en gaan dan, beide toch wat gespannen, om half negen op pad. Als we de auto instappen staat er in het display dat we nog zo’n 435 km kunnen met de tank. Die inschatting maakt onze ‘slimme’ Volvo op basis van de afgelopen gereden kilometers. Maar die waren met de caravan erachter, dus misschien valt het mee. Toch is het bij lange na niet genoeg voor de kleine 1000 km tot aan Nederland (óf België, inderdaad Albert).
Op de rondweg van Bergerac komen we aan bij het eerste tankstation. Wat we aantreffen is een rood-wit lint dat voor de inrit is gespannen en bij de pompen diverse verkeerskegels, ten teken dat deze niets meer in de verkoop heeft. ‘Shit’. De paniek neemt toe. ‘Zie je nou wel, wat nu?’. We zoemen in op de kaart en zien dat er verderop nog een benzinetank moet zitten. Het is wel ‘om’ maar dan komen we er meerdere tegen. ‘Er zal toch wel ergens benzine zijn?’, zeggen we tegen elkaar. Het tweede tankstation is wél open, heeft geen Gazole meer maar nog wel Euro 95. We gooien hem helemaal vol, tot ie overloopt. Pff. Langzaam worden we rustig als de teller aangeeft dat we nu weer 950 km kunnen rijden met deze tank. We rijden voorbij het derde tankstation, ook open én 6 cent per liter goedkoper. Tja, dat is de prijs voor paniek, denk ik gelijk. Maar de geruststelling is ook wat waard.
Gelukkig rijden we ‘voorzichtig’ en geeft de teller na anderhalf uur rijden – gek genoeg – nog steeds aan dat we nu nog 980 km kunnen rijden. Onze auto ‘leeft’ met ons mee. Toch wordt het daarna minder en we tanken opnieuw, je weet nooit. Bij die stop tanken we hem weer helemaal vol en geeft de teller aan dat we nog 1035 km kunnen met die tank. Prima, mijn paniek van vannacht was toch voor niets. We gaan het redden. Later zullen we zien dat er bij Parijs in de buurt lange rijen, echt hele lange rijen staan voor de tankstations. Op de borden boven de snelweg wordt dan soms aangegeven hoe ver het nog is tot de volgende voorraad ‘le carburant’.
We willen in ieder geval voorbij Parijs komen vandaag, de eerste dag. Het gaat voorspoedig. Het is prachtig weer en ‘lekker’ rustig op de weg, op zondag, zonder veel vrachtwagens. We passeren Limoges, Châteauroux, Vierzon en Orléans. Dan staat er ineens een stopbord in het display van onze routeplanner, nét voor Parijs. Om het eventuele oponthoud te mijden besluiten we na Orléans bij Artenay de snelweg te verlaten en binnendoor via Angerville en Étampes naar Parijs te rijden. Op die weg zien we nog wel veel tankstations die afgezet zijn met een rood-wit lint of waar niemand is. Die zijn leeg.
Parijs ‘nemen’ we soepel, zonder oponthoud deze keer. We vervolgen de A1 naar het noorden. Lille staat er dan op de borden, op de grens met België. Dat geeft een veilig gevoel. Het gaat zo goed dat we door blijven rijden en bij Kortrijk nadenken over stoppen. Ik probeer, tegen beter weten in, mijn Booking.com app te openen en dat lukt, vreemd genoeg. Ik kan verschillende hotel ‘bekijken’, maar ben er niet bedreven in. Dat wil zeggen, zoeken gaat goed maar kiezen is moeilijk. Dat is normaal een taak van José. We rijden en rijden maar kunnen morgen, maandag, pas het huisje in dus nóg verder doorrijden heeft eigenlijk niet veel zin We bedenken dat het overnachten in een grote stad deze keer niet handig is, een hoop zoekwerk, zo laat. We kiezen voor een kleinere plaats en voorbij Gent zegt José ‘is Sint-Niklaas een plaatst om te stoppen?’ Het is dan tegen zeven uur, in de avond.
Er zijn twee hotels die aan onze criteria voldoen, zie ik op Booking.com en rijden zonder te boeken naar de eerste toe. We belanden zo uiteindelijk in hotel Serwir. Het is een groot hotel, aan de rand van de plaats, en heeft meerder vergaderzalen etc. We bestellen de ‘goedkoopste’ kamer. Die is echter best groot, dat zijn we niet gewend. De kamer is zeker twee of misschien wel drie keer zo groot als een kamer bij bijvoorbeeld Best Western, voor hetzelfde geld. Het eten in het restaurant vinden we wel wat prijzig maar bestellen toch het 3 gangen menu. Dat blijkt echter veel te veel, zeker met de ‘verwenkoffie’ als laatste gang. Met een dikke, opgeblazen buik gaan we slapen om de volgende morgen met onweer wakker te worden voor het laatste stukje.